Twee tentoonstellingen van twee kunstenaars die een zeldzame beheersing van hun respectieve techniek gemeen hebben – tekening op papier voor Dennis Scholl, olieverf op doek voor Till Rabus. De analogie houdt daarbij natuurlijk niet op. Allebei onderzoeken ze in hun werk de grenzen van de realistische figuratie en ontwikkelen een esthetica gebaseerd het in elkaar overlopen van objecten en denkbeeldige of in hun directe omgeving geobserveerde personages.

Bij Till Rabus kan het werk ontstaan op basis van een vakantiefoto die hij van het internet heeft geplukt en waaraan hij een verstorend element toevoegt. Maar soms gaat het om de toevallige ontmoeting van een onbeduidend element, zoals de in ijs gevatte wikkel van een chocoladereep, die het statuut krijgt van centraal element in een winterlandschap. Zijn werk is emblematisch voor het digitale tijdperk waarin het niet meer gaat om te weten wat het waard is gefotografeerd te worden, maar wel om wat het waard is om bewaard te worden – of overgebracht te worden van een bestand op een schilderij op doek. Voor andere composities, als de Voodoo-reeks, brengt de kunstenaar heteroclytische opbjecten samen – bloemen, schelpen, speelgoed –, en creëert daarmee zowel lachwekkende als beangstigende altaren. Voor de crâneries [schedelwerken] gebruikt hij een gelijkaardig procedé: een Donald Duck poppetje krijgt een vogelschedel en een menselijke schedel wordt bekroond met een trechter. Zijn meer recente Patchworks hotels getuigen van de nieuwe manier waarop Till Rabus de realiteit deconstrueert: hij vertrekt hier niet meer van toevoeging of collage, maar accumuleert visuele tekens. Deze opeenstapeling van armen en benen in zijden kousen op een hotelbed, weergegeven onder hard licht, verwijzen naar de codes van de pornografie, maar blijven suggestief.

 

Met de titel van zijn tentoonstelling Fearless Realism, plaatst Till Rabus zich resoluut in het teken van het beeld. Dennis Scholl echter roept de tutelaire figuur op van Lacan en kiest voor de taal. De ‘niet-gedupeerden dwalen’: ook al wil de kunstenaar niet dat deze referentie aan Lacan wat al te letterlijk wordt genomen, kan ze wel perfect op zijn werk worden toegepast. Als we overeenkomen dat de ‘niet-gedupeerden’ diegenen zijn die zich niet laten vangen door raffinement, dan klopt het dat diegenen onder hen die de tekeningen van Dennis Scholl bekijken lang kunnen blijven ‘dwalen’ tussen de lijnen op zoek naar de verklaring van de visuele rebussen die hij voor zich ziet. Zoals de kunstenaar zelf zegt, hoeven we niet te zoeken naar een bepaald verhaal, het gaat alleen om een structuur die rond tussenruimten is georganiseerd. Met zijn heel eigen techniek wil Dennis Scholl zachte oppervlakken creëren waarachter het gebaar van de kunstenaar verdwijnt. Maar deze werkwijze laat ook toe om, zo lijkt het althans, de verstrooide elementen van het verhaal samen te brengen. Organische landschappen, Christus aan het kruis die resulteert uit een confrontatie tussen Grünewald en Dali, hallucinante visioenen die Lautréamont niet zou versmaden: het iconografische corpus van Dennis Scholl lijkt eindeloos omwille van zijn rijkdom en complexiteit. De historische referenties zijn talrijk, van Schongauer en Dürer, romantici als Füssli en Blake tot Hans Bellmer of de Chirico. Het zijn echter nooit letterlijke citaten – veeleer suggesties die de sporen (nog meer) in de war brengen.

P-Y Desaive